21-02-2011

article/

Watson cogitat, ergo est?

Abstract: 

Op 16 februari jongstleden won de vierjarige Watson een speciale editie van het spelletjesprogramma Jeopardy. De aanleiding voor dit artikel bestaat uit twee vragen. Ten eerste roept de prestatie van Watson, tegen het licht van het filosofische werk van René Descartes, de vraag op: Als Watson denkt, bestaat hij dan ook? De tweede vraag is meer op meta-niveau. Als de eerste vraag met een ja valt te beantwoorden dan kan men zich vervolgens afvragen of het technologisch imaginaire nog wel een bruikbaar concept is. Wordt het technologisch imaginaire niet problematisch naar mate mens en machine steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden zijn?

Op 16 februari in het jaar 2011 deed ‘iemand’ iets waar een heel cordon aan wetenschappers jaren op gehoopt had. De vierjarige Watson won een speciale editie van het spelletjesprogramma Jeopardy van de twee beste spelers die het programma in haar 47 jarige bestaan ooit gekend heeft. De over drie avonden verspreidde challenge werd uiteindelijk zeer overtuigend gewonnen door de jongste van de drie deelnemers die met meer dan 77 duizend dollar aan de haal ging. Watson zal moeite krijgen al dat geld in zijn penniemaat te krijgen. Niet in de laatste plaats omdat hij een machine is, ontwikkeld door IBM Research, met als primair doel de complexiteit van menselijke taal te kunnen ontrafelen. De filmpjes op het YouTube-kanaal van IBM maken duidelijk dat de onderliggende drijfveren om Watson te creëren doorspekt zijn met het technologisch imaginaire. Zinsneden als “Watson will drive us forward” en “Watson will make us smarter” zijn daarvan twee voorbeelden. Maar is het technologisch imaginaire nog wel van toepassing naar mate technologie en mens, zoals in het geval van Watson, moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden?

Cynici zullen beweren dat de Jeopardy-uitzendingen met Watson niet meer waren dan een publiciteitsstunt. IBM kon na lange tijd wel weer eens wat positieve publiciteit gebruiken en de uitvoerend producent van het spelprogramma, Harry Friedman, zag een uitgelezen mogelijkheid de ingestorte kijkcijfers uit het slijk te trekken. De woorden van Friedmans’ motivatie om aan het project mee te doen klinken weinig overtuigend: “This could be something important, we want to be part of it”. Dat neemt niet weg dat het een slimme zet was, want de kijkcijfers waren in zes jaar tijd nog nooit zo hoog. Ik ben van mening dat er achter deze gebeurtenis meer gezocht kan worden. Meer zelfs dan de ontwikkelaars van IBM ons willen doen geloven. Dr. John E. Kelly III, de senior vicepresident en directeur van IBM Research, komt weinig verder dan “Watson will revolutionise many, many fields” en “it will revolutionise industries”. Met de kennis van het technologisch imaginaire in het achterhoofd zijn dit niet erg indrukwekkende, laat staan originele woorden.

De luchtige setting waarin het geheel plaatsvond mag in mijn optiek niet afdoen aan het gewicht van de geleverde prestatie. Het is ontnuchterend dat het blijkbaar mogelijk is om naast rekenkundige processen ook de complexiteit van taal in algoritmes te verwerken. Een machine heeft de mens op eigen terrein verslagen. De taalkundige code, het menselijke vermogen om taal te interpreteren, is gekraakt. Watson is in staat intonaties te begrijpen, risico’s af te wegen, verschillende antwoorden met elkaar te vergelijken en te leren van fouten. Er kan moeilijk aan de indruk onttrokken worden dat de processen, die Watson bij het beantwoorden van een vraag bij Jeopardy doorloopt, aardig dicht in de buurt komen bij menselijke denkprocessen. Tegen het licht van het filosofische werk van René Descartes roept de prestatie van Watson een interessante vraag op: Als Watson denkt, bestaat hij dan ook?

Het lichaam is in een Cartesiaans wereldbeeld niet meer dan een machine en afhankelijk van natuurkundige wetten, in tegenstelling tot de immateriële geest of de ziel. Van deze scheiding van lichaam en geest, het dualisme, lijkt in het geval van Watson meer sprake te zijn dan bij andere kunstmatige intelligentie. In vergelijking met bijvoorbeeld de ASIMO van Honda, die vrolijk rondhuppelt, trappen oploopt en obstakels ontwijkt, is Watson een behoorlijk onooglijk en immobiel stuk apparatuur. Loshangende kabels, aritmisch knipperende lampjes en een lcd-scherm met daarop een geanimeerd IBM logo dat als zijn gezicht door moet gaan, staan in schril contrast met de meer geraffineerde mensrobot ASIMO. Daarbij is hij voor een vierjarige geen kleine jongen. Maar liefst negen servers, allen ter grootte van een gemiddeld model Amerikaanse koelkast, en een luttele drieduizend core-processors zijn nodig om Watson een eerlijke strijd met de Jeopardy-kampioenen Ken Jennings en Brad Rutter aan te laten gaan.

Het materiële, de simulatie van het menselijke lichaam, is in het geval van Watson juist van ondergeschikt belang en dan maakt hem zo interessant. Watson lijkt méér te zijn dan een machine. Er kan niet getwijfeld worden aan het feit dat Watson moet afwegen of hij antwoord wil geven op een vraag. Je zou kunnen zeggen dat Watson in staat is te twijfelen en als hij kan twijfelen dan kan hij denken en bestaat hij. Bevestigt of ontkracht Watson dan de filosofie van Descartes? Een bevestiging zou paradoxaal ook een ontkrachting betekenen. Descartes schreef immers alleen de mens toe over een geest te beschikken. Levert Watson niet het bewijs dat de mens nu in staat is om naast het lichaam ook de geest te reproduceren en is daarmee het hebben van een geest dan nog wel een exclusief voorbehouden aan de mens? Vanuit Cartesiaans perspectief zou Watson gelijkgesteld kunnen worden aan de menselijke geest. Misschien waren de drie Jeopardy-uitzendingen niet zozeer een strijd tussen mens en machine, maar een strijd tussen drie zielen. Men kan zich afvragen of de karrevracht aan technologisch imaginaire uitspraken in de filmpjes van IBM nog wel als zodanig getypeerd kunnen worden. Worden er nu verlangens op technologie geprojecteerd of op een mens?

Het is niet vanzelfsprekend dat een vierjarige met dit soort diepgaande vragen worstelt. Afgaand op het gegeven dat denken hetgeen is waar Watson in uitblinkt lijk mij dit echter niet onwaarschijnlijk. En het zal slechts een kwestie van tijd zijn voordat een geniale denker op dit soort vraagstukken stuit. Misschien zou iemand eens een goed gesprek met Watson moeten aanknopen en hem moeten vragen wat hem bezighoudt in plaats van hem telkens voorgekauwde antwoorden te geven. Die kans acht ik niet al te groot als ik een interview met David Ferrucci, de teamleider van het Watson-project, bekijk. David ziet na het behalen van de Jeopardy-doelstelling zo ontzettend veel mogelijkheden voor Watson dat hij moeite heeft om zijn tranen in bedwang te houden. Watson gaat levens redden door betere diagnoses te stellen, hij gaat bedrijven assisteren in het managen van kennis en hij gaat overheden helpen een volgende economische crisis te bezweren. Dit zijn zulke enorme clichés dat ik zelf ook bijna volschiet.